Welke factoren zijn gerelateerd aan geven van borstvoeding?

De Jeugdgezondheidszorg bezoekt vrijwel alle ouders van pasgeborenen in de regio Hollands Midden (HM) ongeveer twee weken na de geboorte van de baby. Tijdens dit uitgebreide huisbezoek wordt onder andere de gezinssituatie, het verloop van de zwangerschap en bevalling en gegeven voeding aan de baby in de eerste paar weken geïnventariseerd.

Begeleiding ouders bij keuze borstvoeding

Op groepsniveau leveren de gegevens van het huisbezoek relevante informatie voor lokaal- en regionaal gezondheidsbeleid. Hiermee kunnen de gezondheidszorgprofessionals gerichter ouders begeleiden bij het maken van de keuze voor het al dan niet geven van borstvoeding, waardoor het gebruik van borstvoeding kan worden gestimuleerd. Deze informatie kan tevens gebruikt worden voor het opzetten van groepsvoorlichting aan aanstaande ouders.

Groepsvoorlichting

De GGD HM is, in samenwerking met het LUMC, de Verloskundige Coöperatie Leiden en omgeving (LEO) en Kraamorganisaties (KLEO) momenteel bezig met het opzetten van deze groepsvoorlichting. De voorlichting zal bestaan uit vier avonden en één van deze avonden, rond de 36e week van de zwangerschap, zal gaan over borstvoeding.

Doel

Verloskundigen, kraamverzorgenden, lactatiekundigen en medewerkers van de jeugdgezondheidszorg hebben een belangrijke rol in het stimuleren van borstvoeding, zodat zo veel mogelijk kinderen zo lang mogelijk kunnen profiteren van de gezonde effecten van borstvoeding. Inzicht in de belemmerende en stimulerende factoren kan hierbij helpen.

Vraagstelling

Wat is de invloed van demografische factoren, het vóórkomen van erfelijke aandoeningen in de familie en het verloop van zwangerschap, bevalling en de gezondheid van het kind op het geven van borstvoeding op de geboortedag en twee tot drie weken na de geboorte?

Aanpak

  1. Literatuurstudie naar de relaties tussen borstvoeding en belemmerende factoren en borstvoeding en gezondheid;
  2. Analyseren van de registraties van de standaard huisbezoeken uit het digitaal dossier van de GGD HM over de jaren 2010 t/m 2015.

Participanten

  • Vrije Universiteit Amsterdam, Lisa van Tol, student studie Gezondheid en Leven
  • Vrije Universiteit Amsterdam, Janne de Ruyter, mentor studie gezondheid en Leven
  • GGD Hollands Midden, Irma Paijmans, epidemioloog
  • GGD Hollands Midden, Nienke Terpstra, epidemioloog

Samenvatting

In de regio Hollands Midden krijgt 77% van de kinderen borstvoeding op de geboortedag. Relatief veel moeders stoppen in de eerste paar weken met het geven van borstvoeding. In de tweede of derde week krijgt 60% van de kinderen uitsluitend borstvoeding. De laagste percentages worden gevonden in Katwijk en Lisse.

Veel demografische factoren hebben een relatie met het wel/niet starten met borstvoeding of het continueren van borstvoeding. Dit geldt bijvoorbeeld voor het geboorteland van de moeder, het aantal oudere kinderen in het gezin, of het kind een meerling is, de leeftijd van de moeder, gezinssituatie en opleiding van de ouders. Deze demografische factoren kunnen echter ook andere relaties van borstvoeding verstoren.

De sterkste relatie is gevonden tussen het geboorteland van de moeder en de andere demografische factoren. Bij in Nederland geboren moeders heeft het opleidingsniveau grote invloed op het geven van borstvoeding. Deze relatie met opleiding en geboorteland is in mindere mate aanwezig bij moeders die in een ander westers land zijn geboren (exclusief een Oost-Europees land) terwijl moeders die in een niet-westers land (exclusief Marokko) zijn geboren, vaker borstvoeding geven als het opleidingsniveau laag is.

Als erfelijke aandoeningen in de familie voorkomen, zoals diabetes, eczeem, astma of allergie, starten Nederlandse en westerse moeders vaker met borstvoeding geven, maar deze relatie is niet gevonden bij moeders uit een niet-westers geboorteland. Psychi(atri)sche aandoeningen en epilepsie binnen het gezin belemmeren het starten met borstvoeding.

Roken en medicijngebruik tijdens de zwangerschap, de zwangerschapsduur en complicaties bij de bevalling zijn eveneens factoren die gerelateerd zijn met het wel/niet starten met borstvoeding. Ook hier geldt dat deze relaties niet bij alle onderzochte (groepen) geboorteland zijn gevonden of tegenovergesteld effect hebben.

In de voorlichting over borstvoeding kan meer dan nu het geval is, rekening worden gehouden met demografische verschillen. Bij Nederlandse moeders kunnen vooral laagopgeleide ouders gestimuleerd worden voor het kiezen voor borstvoeding en bij niet-westerse moeders kunnen de positieve effecten van borstvoeding worden benadrukt als sprake is van erfelijke aandoeningen in de familie.

© 2024 awpg Lumens. Alle rechten voorbehouden / Disclaimer / Privacy / Realisatie: Lemon